Bas van der Bent commentaar

9 juni 2015

Narratieve analyse van het levensverhaal van Calvijn

Filed under: Geen categorie — basalk @ 15:48

De narratieve analyse van de inleiding op het psalmencommentaar van Calvijn aan de hand van de “De hand van God en andere verhalen” van Ruard Ganzevoort. Dit paper werd gemaakt als onderdeel van de studie Theologie aan de joint Bachelor opleiding aan de PThU/VU in het eerste jaar

Narratieve analyse van de inleiding op het psalmencommentaar van Calvijn.

Volgens Ruard Ganzevoort is de grens waarnaar de mens terug kan gaan in de beschrijving van zijn geschiedenis de geboorte. Toch wil een mens graag weten waar hij vandaan komt wat zijn oorsprong is. Als de afkomst van ouders, grootouders en overgrootouders daarvoor niet voldoende is kan ook een historische figuur die plaats innemen.[1] In de psychosynthese is dit zelfs een methode van behandeling geworden. In zijn inleiding tot het commentaar op de Psalmen vertelt Johannes Calvijn zijn eigen levensgeschiedenis. Hij spiegelt zich daarbij aan David met wie hij volgens eigen zeggen verwant is door de gebeurtenissen in beider leven. Overigens moet hier terzijde worden opgemerkt dat Calvijn de overeenkomst versterkt door het volk Israël waar David over klaagt gelijk te stellen aan de Kerk, hij bedoelt hier nog de Kerk van Rome, waar hij in de loop van zijn leven afstand van zou nemen maar die hij oorspronkelijk beoogde te hervormen.

Ganzevoort beschrijft dat er nooit sprake is van een eenduidig lineair levensverhaal is maar dat het verhaal versplinterd is over verschillende gebeurtenissen die naast elkaar hun betekenis naar de toekomst houden. Calvijn vertelt dat dit al vanaf het begin van zijn leven het geval is. Aanvankelijk was hij voorbestemd om theologie te gaan studeren en theoloog te worden maar toen zijn vader ontdekte dat juristen veel meer konden verdienen moest hij rechten gaan studeren. Calvijn onderstreept echter dat de theologie hem nooit heeft losgelaten. Een meerstemmig zelf noemt Ganzevoort dit in navolging van Henning Luther. Enerzijds is de juridische scholing van Calvijn onmiskenbaar in zijn werk, hij neemt er hier ook zeker geen afstand van, anderzijds is hij op en top theoloog op zoek naar de Waarheid in de Schrift.

Calvijn rechtvaardigt zich voor zijn veranderende opstelling tegenover studie en kerk met het noemen van een plotselinge bekering. Hij schrijft echter geen bekeringsverhaal, het hoe en wat is ook volgens zijn biografen onbekend gebleven.[2] Hij verdedigt zich door te stellen dat hij altijd achter de schermen heeft willen werken. Dat lukte niet en de opkomende vervolging van aanhangers van de “nieuwe leer”, Calvijn heeft het over brandstapels, noopte hem tot vluchten. Ganzevoort heeft het over Complementariteit waarbij iemand tegelijk contrasterend kan zijn. De anonimiteit die Calvijn in Bazel begeert mondt uit in een openlijke veroordeling van de vervolging en zelfs het schrijven van zijn institutie, die hij opdraagt aan koning Frans I met het verzoek de in de institutie beschreven leer in te voeren in de kerken in Frankrijk. Ook hiervoor rechtvaardigt hij zich door op te merken dat hij anders aangezien had kunnen worden voor een aanhanger van de paapse stoutigheden. Tegelijk doet hij het voorkomen of zijn Institutie anoniem werd uitgegeven en dat zijn auteurschap pas bekend werd toen Fasel hem tegenhield in Genève. Calvijn heeft overigens verschillende versies van de Institutie gepubliceerd, voor een analyse en overzicht moge ik verwijzen naar het werk van Frans Breukelman.[3]

Dat Calvijn ondanks zijn voornemen naar Straatsburg door te reizen in Genève is gebleven rechtvaardigt hij met de religieuze druk die er door Farel en de zijnen op hem werd uitgeoefend. Hoe belangrijk men hem echter ook vond, hij bleef in eigen ogen de kamergeleerde die hij altijd had willen zijn. In heel het verhaal klinkt dus een religieuze onderlaag door, die zijn oorsprong vindt in de persoonlijke religieuze ervaring van Calvijn.

Genève was bevrijdt van de papen maar de conflicten over religie waren nog lang niet voorbij. Er waren mensen die de paapse gebruiken weer in ere wilden herstellen en er waren anabaptisten die zelf het Koninkrijk van God op deze aarde willen stichten. Beide vleugels in het religieuze leven van de stad werden door Calvijn en de zijnen afgewezen. Het leidde tot een kortstondige verbanning van Calvijn uit de stad. Een verbanning waar hij blij mee was bevrijdt als hij was van allerlei verplichtingen. Dat duurde niet lang. Hij moest voortdurend voor allerlei vergaderingen en gremia verschijnen om uit te leggen wat hij beoogde.

De conflicten in Genève en het optreden voor de vergaderingen en gremia worden door Calvijn beschreven als het lijden waartoe omwille van zijn geloof veroordeeld was. Zelfs zijn ambt als predikant te Genève dat hij aanvaarde toen de onlusten bezworen waren zet hij in het licht van een ongewild lijden waartoe God hem geroepen zou hebben. Volgens Ganzevoort voert het lijden dat men als lijden ervaart altijd tot de vraag waarom dit lijden plaatsvindt en als het lijden in het teken van het Christelijk geloof plaatsvindt roept het de vraag op naar het waarom van het lijden van Jezus van Nazareth. Ook Calvijn stelt zich de vraag naar het waarom van het lijden. In zijn latere verblijf in Genève moet hij letterlijk vechten, moet hij processen doorstaan en ondervindt hij voortdurend tegenwerking. Hij beschrijft zijn lijden als een louteringsproces. Hij werd als Job beproeft omwille van zijn geloof, zou hij het volhouden of terugkeren naar het paapse bijgeloof. Vijf jaar lang doorstaat hij de beproeving en uiteindelijk herkent hij zich in de klacht van David dat zelfs zijn vrienden hem hebben verschopt. Calvijn vindt steun in deze klachten die hij terugvindt in de psalmen die hij zal gaan becommentariëren.

Calvijn richt zijn verhaal tot de lezer van zijn psalmcommentaar. Of die lezer dezelfde steun zal moeten vinden in de psalmen als Calvijn kennelijk heeft gehad wordt niet duidelijk. Maar in zijn persoonlijke verhaal wordt zijn opvatting duidelijk dat God de mens beproefd maar tegelijkertijd de lezer van de Schriften steunt en bemoedigt. Calvijn vond die steun in de parallellen die hij tussen de klachten van David en zijn eigen verzuchtingen vond. En natuurlijk heeft Calvijn zijn commentaar op de Psalmen niet geschreven om er beroemd mee te worden maar om de kerk er mee te stichten, beter van te laten worden. Zelfs in het slot van zijn verhaal over zijn leven rechtvaardigt hij zich voor zijn handelen. Daarmee tot slot volgt hij ook Ganzevoort die stelt dat een levensverhaal of biografie ook vaak gebruikt wordt om zich achteraf te rechtvaardigen tegenover de lezer.

[1] Ganzevoort Ruard, De hand van God en andere verhalen blz. 85, Zoetermeer 2006, uitgeverij Meinema

[2] Schippers, Drs. R., Calvijn, Kampen 1959, Kok N.V.

[3] Breukelman, Frans, Bijbelse theologie IV/1, de structuur van de heilige leer in de theologie van Calvijn, Kampen, 2003, Kok N.V.

Advertenties

Geef een reactie »

Nog geen reacties

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

%d bloggers liken dit: